| |

Het kind is al burger: Janusz Korczak en de radicale gelijkwaardigheid van kinderen

Dit artikel is een introductie op de Meesterwerk-podcast met Arie de Bruin, voorzitter van de Nederlandse Janusz Korczak Stichting Nederland. In dit gesprek vertelt De Bruin over de Pools-Joodse kinderarts die zijn leven wijdde aan de meest kwetsbare kinderen – en wiens gedachtegoed nog steeds fundamentele vragen stelt aan het onderwijs van vandaag.


Er zijn pedagogische denkers wier ideeën je interesseren, en er zijn pedagogische denkers die je raken. Janusz Korczak behoort onmiskenbaar tot de tweede categorie. Niet omdat hij een sluitend theoretisch systeem ontwikkelde – dat deed hij bewust niet – maar omdat hij leefde wat hij dacht. Tot aan het allerlaatste moment.

Op 5 augustus 1942 liep Korczak met tweehonderd kinderen uit zijn weeshuis door de straten van het Warschause ghetto, op weg naar de Umschlagplatz, het verzamelpunt voor de treinen naar Treblinka. De kinderen droegen hun beste kleren. Ze hadden hun knuffels en poppen bij zich. En ze zongen.

Een ooggetuige schreef later: ‘Er is nog nooit zo’n processie geweest in Warschau van kinderen die hun dood tegemoet gaan. Zingend, onder leiding van Korczak.’

Wie was deze man die weigerde zijn kinderen in de steek te laten, ook toen hem meerdere malen een vrijgeleide werd aangeboden? En waarom spreken zijn ideeën over kinderen en opvoeding nog steeds zo sterk tot de verbeelding?


‘Dat kind is een volwaardig mens. Een volwaardig mens dat volwaardig kan denken.’ — Arie de Bruin over Korczak

Een wereld die hij niet kende

Henryk Goldszmit – zijn echte naam – werd in 1878 geboren in een welgesteld Joods-Pools gezin in Warschau. Zijn jeugd beschrijft hij zelf als leven onder een stolp. Het rijke milieu waarin hij opgroeide, schermde hem af van de wereld buiten de salon. Later zou hij hierover schrijven in Het Salonkind, waarin hij laat zien dat ook kinderen uit bevoorrechte milieus in hun rechten worden beperkt, door overbescherming, door onzichtbaarheid, door het ontbreken van echte verbinding met de wereld.

Pas toen Korczak medicijnen ging studeren en als jong arts meeliep met een huisarts, kwam hij voor het eerst in aanraking met de werkelijkheid buiten zijn beschermde bestaan. In de achterbuurten van Warschau zag hij kinderen die aan hun lot waren overgelaten – weeskinderen, straatkinderen, kinderen zonder stem en zonder rechten. Het was een shock die zijn leven zou bepalen.

Arie de Bruin, voorzitter van de Nederlandse Korczak Stichting, vertelt in de podcast hoe diep deze ervaring Korczak raakte: ‘Dat had hij nog nooit gezien. En dat is zo’n shock voor hem geweest dat hij op dat moment al, en toen was hij dus net twintig, schrijft: ik ga mijn leven in dienst stellen van kinderen die rechtenloos zijn.’

Het was een belofte die Korczak zou nakomen. In 1912 stichtte hij Dom Sierot, een tehuis voor Joodse weeskinderen en kinderen die op straat leefden. Hier zou hij de komende dertig jaar proberen vorm te geven aan zijn visie: een plek waar kinderen niet als objecten van opvoeding werden behandeld, maar als volwaardige mensen met een eigen stem, eigen rechten en eigen waardigheid.


Het kind als subject

De kern van Korczaks denken laat zich samenvatten in één woord: respect. Maar dan respect in de meest radicale zin van het woord. Niet het beleefd-neerbuigende respect van de volwassene die het kind welwillend tegemoet treedt, maar het erkennen van het kind als een volledig mens, hier en nu.

‘Leer eerst jezelf kennen, voordat je kinderen wilt leren kennen,’ schreef Korczak. ‘Je bent zelf het kind onder al die kinderen dat je vóór alles moet leren kennen, opvoeden en opleiden.’

Dit uitgangspunt had verstrekkende consequenties voor hoe Korczak met kinderen omging. In Dom Sierot kregen kinderen niet alleen taken en verantwoordelijkheden, ze participeerden werkelijk in het besturen van hun gemeenschap. Er was een kinderraad, een kinderparlament, en – misschien wel het meest opmerkelijke – een kinderrechtbank.

De Bruin legt uit hoe dit werkte: ‘Als iemand berouw heeft van wat hij gedaan heeft, dan is de eerste maatregel – hij noemt nooit straf – hem wordt vergeven. En de tweede maatregel is: wij zoeken naar herstel.’

Het ging Korczak niet om straffen, maar om verantwoordelijkheid leren nemen. Om te begrijpen dat je deel uitmaakt van een gemeenschap en dat je handelen gevolgen heeft voor anderen. De rechtbank was geen instrument van controle, maar van emancipatie.


‘Kinderen leren jou te zien met hun ogen. Want we zijn als volwassenen het vaak kwijt van hoe voelde dat dan eigenlijk als je kind bent?’ — Arie de Bruin

De opvoeder voor de rechtbank

Wat Korczaks benadering zo bijzonder maakt, is dat de rechtbank niet alleen voor kinderen gold. Ook volwassenen (inclusief Korczak zelf) konden worden aangeklaagd. En dat gebeurde.

De Bruin vertelt een onthullend verhaal: er was een nieuw meisje in het weeshuis dat door de andere kinderen werd buitengesloten. Korczak zag het aan en deed iets onverwachts – hij tilde het meisje op en zette haar boven op een kast. Het kind begon te huilen. Korczak deed alsof hij niets zag en liep weg.

Wat gebeurde er? De andere kinderen reageerden. Ze kregen medelijden, vroegen Korczak het meisje eraf te halen, en namen haar vervolgens op in hun spel. Het doel was bereikt – maar de methode was fout. De kinderen klaagden Korczak aan bij de rechtbank.

‘En dan bekent hij schuld,’ vertelt De Bruin. ‘Ja, had ik niet mogen doen. Ik had haar niet zomaar daar op de kast mogen zetten. Dat was niet goed van mij. Hoe moet ik het herstellen? Nou, zegt hij dan, jullie hebben het eigenlijk hersteld. Want doordat dit gebeurde, hebben jullie het meisje opgenomen in jullie spel, in jullie gemeenschap. Het is prachtig. Zo is het hersteld.’

Dit is de essentie van wat Korczak bedoelde met respect voor het kind: niet alleen mooie woorden spreken over kinderrechten, maar die rechten ook laten gelden tegenover jezelf als opvoeder. Het kind als werkelijke gesprekspartner, niet als object van je pedagogische bedoelingen.


Drie grondrechten

Al in 1919 – zeventig jaar voor het VN-Kinderrechtenverdrag – formuleerde Korczak zijn ‘Magna Carta’ voor kinderrechten. Drie grondrechten staan daarin centraal:

Het recht op de dag van vandaag. We voeden kinderen op voor later, alsof het heden slechts een voorbereidingsfase is. Maar voor Korczak is het leven van een kind geen generale repetitie. Het is het echte leven, nu. ‘De opvoeder heeft niet de plicht de verantwoording voor een verre toekomst op zich te nemen,’ schreef hij, ‘maar hij is wel volledig verantwoordelijk voor de huidige dag.’

De Bruin maakt dit concreet: ‘Als er voor dit kind geen later is, is dan alles wat je tot nu toe deed voor niks geweest? Is dan alles wat je vandaag doet eigenlijk zinloos? Het periode van het kind zijn, dat is een levensfase, niet een voorbereiding op later.’

Het recht van het kind om te zijn zoals het is. Korczak gebruikte hiervoor een prachtig beeld in Hoe houd je van een kind: ‘Laten we ervan uitgaan dat we van een krachtige jonge eik een poëtische berk willen maken of van een fragiele berk een robuuste eik. We beginnen te snoeien, te zagen, te breken, te verbuigen … totdat de boom afsterft. Nee… zo’n belachelijke vergissing zouden we bij een boom nooit maken, maar wel bij een kind.’

Het recht op een eigen leven. Met de beste bedoelingen nemen opvoeders alle risico’s weg. Korczak waarschuwde: ‘Uit angst voor de dood van het kind, ontnemen we hem vaak het leven.’ Kinderen moeten fouten mogen maken, blauwe plekken oplopen, de weerstand van de werkelijkheid ervaren. Alleen zo leren ze omgaan met het leven. De Bruin vat dit kernachtig samen: ‘Hij zegt letterlijk: als kinderen de fout ingaan, laat dat kind fouten maken, laat dat kind zondigen. En dan even later: elk kind heeft recht op zijn eigen blauwe plek.’


‘Hij zegt letterlijk: als kinderen de fout ingaan, laat dat kind fouten maken, laat dat kind zondigen. En dan even later: elk kind heeft recht op zijn eigen blauwe plek.’ — Arie de Bruin

Oorlog en oase

De Eerste Wereldoorlog dwong Korczak tijdelijk zijn weeshuis te verlaten. Als militair arts werd hij gelegerd in Kiev, waar hij getuige was van de waanzin van volwassenen – zoals hij oorlog noemde. ‘De parade van de duivel,’ schreef hij, ‘waarin volwassenen meelopen. Maar de echte slachtoffers zijn de kinderen. De kinderen van nu en de kinderen voor straks.’

Juist in deze periode begon hij aan zijn belangrijkste boek: Hoe houd je van een kind? Het is geen systematisch pedagogisch handboek, maar een verzameling observaties, reflecties en doorleefde ervaringen. Korczak wilde geen recepten geven. ‘Hoe, wat, wanneer, hoeveel? Ik voel vele vragen waarop men een antwoord van mij verwacht. En ik zeg: ik weet het niet.’

Want hoe zou hij kunnen weten wat een ander moet doen, in een situatie waar hij niet is, met kinderen die hij niet kent? Zijn boek is een uitnodiging tot eigen nadenken, niet een handleiding voor kopieergedrag.

Na de oorlog keerde Korczak terug naar Warschau, waar hij naast Dom Sierot ook mededirecteur werd van een tweede weeshuis, Nasz Dom, voor niet-Joodse kinderen. Hij gaf colleges aan de universiteit, hield wekelijks radiopraatjes – tot hij in 1937 als Jood niet meer mocht uitzenden – en schreef kinderboeken, waarvan Koning Matthijsje het beroemdst zou worden.

Toen de nazi’s het ghetto van Warschau instelden, moest ook het weeshuis verhuizen. De omstandigheden waren onmenselijk: vierhonderdduizend mensen op een paar vierkante kilometer. Maar Korczak probeerde ook hier een oase te creëren.

‘Hij zegt: er moet toch ergens een plek zijn in deze woesternij, een oase voor kinderen waar zij de menselijkheid nog tegen kunnen komen,’ vertelt De Bruin. ‘Zo schrijft hij dat letterlijk.’

Korczak gaf nog steeds onderwijs, organiseerde theatervoorstellingen, bleef de gemeenschap in stand houden. En iedere dag ging hij met een groep kinderen de straat op om voedsel en geld bij elkaar te bedelen. De kinderen waren geen passieve ontvangers van zorg – ze waren medewerkers in hun eigen overleven.


Geen model, wel een visie

Korczak heeft nooit een ‘methode Korczak’ willen ontwikkelen. Wie zoekt naar een stappenplan of een checklist, zal teleurgesteld worden. ‘Is er niet een Korczak-model?’ wordt De Bruin vaak gevraagd. Zijn antwoord: ‘Nee, dat is er niet. En Korczak was daar ook wars van.’

Wat Korczak wel biedt, is een visie. Een manier van kijken naar kinderen die alles verandert. De Bruin illustreert dit met een eigen ervaring. Als schooldirecteur had hij een leerling in groep 8 waar hij geen grip op kreeg. Tot hij het kind vroeg een ‘gebruiksaanwijzing’ voor zichzelf te schrijven.

‘Het jochie ging daarmee aan de slag, kwam de volgende dag terug. En hij legde bloot waar hij mee zat en hoe hij wilde dat ik met hem om zou gaan. Dit was de eerste keer dat ik hem serieus nam. De eerste keer dat ik zijn stem liet horen en liet meewegen.’

Het is precies wat Korczak bedoelde toen hij schreef: ‘Voor het eerst vandaag heb ik niet tegen de kinderen gesproken, maar met de kinderen.’


‘Jij moet zoeken naar jouw kracht. En dat zoeken naar jouw kracht, dat doe je vanuit die visie op kinderen. Respect voor het kind. Dat is de basis waar het om gaat.’ — Arie de Bruin

Het kind is al burger

Een van de grootste misverstanden over Korczak is dat hij een soort anti-autoritaire pedagoog zou zijn die kinderen alles liet bepalen. Niets is minder waar. Korczak benadrukte juist dat de wereld weerbarstig is, en dat kinderen die weerstand moeten leren kennen.

‘Die weerstand moet je niet wegnemen voor kinderen,’ legt De Bruin uit. ‘Die weerstand is er. Je hoeft hem ook niet expres te creëren, maar je moet hem niet wegnemen.’

Dit heeft directe consequenties voor hoe we denken over burgerschapsvorming. De Korczak Stichting heeft er zelfs een boek over geschreven: Het kind is al burger. Want burgerschap is voor Korczak geen leerdoel voor later, geen competentie die je aanleert voor als je volwassen bent. Het kind ís burger, hier en nu, in de gemeenschap van de klas, de school, de straat.

De school is geen oefenplaats voor de samenleving – de school ís een samenleving. En in die samenleving moet het kind kunnen participeren, niet als object van beleid, maar als subject van zijn eigen leven.


Actueler dan ooit

In een tijd waarin onderwijs steeds meer wordt gedomineerd door toetsen, doorstroompercentages en rendementsdenken, klinken Korczaks woorden misschien wel actueler dan ooit. Luc Stevens, oprichter van NIVOZ, reflecteert in het recente Korczak Jaarboek samen met zijn kleindochter Mijntje – een middelbare scholier – op de vraag wat het grondrecht op ‘de dag van vandaag’ nu betekent.

Mijntje schrijft: ‘Het is niet normaal om kinderen op te laten groeien met de gedachte dat VWO het beste is. Elk brein van elk individu werkt anders en denkt anders.’

Stevens zelf wijst op de consequenties van ons meritocratische onderwijssysteem: ‘Kinderen komen niet naar school om vergeleken te worden met anderen of met een gemiddelde. Ze komen niet naar school om als score gedefinieerd te worden. Ze komen naar school om de dag van vandaag te benutten en te laten zien wat ze kunnen.’

Het is een echo van wat Korczak al een eeuw geleden schreef: ‘Onze illusie is dat wij kinderen kunnen meenemen naar onze idealen in plaats van naar het bereikbare, naar hetgeen voor dit kind in deze situatie haalbaar is.’

Zingend naar de treinen

Op 5 augustus 1942 liep Korczak dus met zijn kinderen naar de Umschlagplatz. Een Duitse officier die hem herkende als de schrijver van zijn favoriete kinderboek, bood hem een vrijgeleide aan. Korczak weigerde. ‘Nee, ik ga met mijn kinderen mee.’

Het verhaal is zo bekend dat het mythische proporties heeft aangenomen. Maar de kern is historisch gedocumenteerd. Korczak had meerdere kansen om zichzelf te redden. Hij koos ervoor om bij zijn kinderen te blijven, tot het einde.

Wat kunnen we hieruit leren? Misschien dit: dat pedagogiek uiteindelijk niet gaat over methoden en modellen, maar over de vraag of je werkelijk bereid bent verantwoordelijkheid te nemen voor de kinderen die aan je zijn toevertrouwd. Niet verantwoordelijkheid voor hun toekomst, die kunnen we niet garanderen, maar voor de dag van vandaag.

Korczak gaf zijn kinderen geen illusies. Hij gaf hun zichzelf. En misschien is dat het enige dat wij als opvoeders werkelijk te geven hebben.


‘Korczak kan zijn kinderen als ze het weeshuis verlaten niets meegeven, behalve het verlangen naar een beter leven, een leven in waarheid en gerechtigheid. Maar hij had ook kunnen zeggen: ik geef jullie niets omdat ik niets heb, behalve mijzelf en mijzelf heb ik jullie gegeven.’ — Luc Stevens


Beluister het volledige gesprek met Arie de Bruin in de Meesterwerk-podcast.

De Janusz Korczak Stichting Nederland houdt het gedachtegoed van Korczak levend door lezingen, publicaties en de jaarlijkse uitreiking van de Janusz Korczakprijs. Meer informatie: korczak.nl


Bronnen en meer lezen

Boeken van Janusz Korczak

  • Korczak, J. (2010). Hoe houd je van een kind. Het kind in het gezin. Amsterdam: Uitgeverij SWP. (Vertaling en bewerking R. Görtzen)
  • Korczak, J. (2007). Het recht van het kind op respect. Amsterdam: Uitgeverij SWP. (Vertaling en bewerking R. Görtzen)
  • Korczak, J. (2012). De republiek der kinderen. Amsterdam: Uitgeverij SWP. (Vertaling en bewerking R. Görtzen)

Over Korczak

  • Berding, J. (2020). Janusz Korczak: Educating for Justice. Springer.
  • Lifton, B.J. (2005). The King of Children: The Life and Death of Janusz Korczak. American Academy of Pediatrics.

Artikelen

Websites

@foto: https://jfi.org/programs/jfi-film-archive/korczak

Similar Posts