Mens blijven in een wereld vol systemen
Een zoektocht naar hoe de mens in het midden blijft staan, in een tijd van AI en onderwijstechnologie
Nu sinds een jaar doe ik onderzoek naar de vraag welk pedagogisch appèl kunstmatige intelligentie op ons onderwijs doet. Het is een zoektocht die zich niet alleen laat vangen in data en algoritmes, maar in gesprekken, ontmoetingen en reflecties. In mijn podcastserie ga ik langs bij wetenschappers, onderwijsmensen, tech-ontwikkelaars en filosofen, om hun visies te horen, om mogelijkheden en onwenselijkheden in kaart te brengen die AI met zich meebrengt. Ik onderzoek daarin het pedagogisch appèl dat AI doet op het onderwijs: wat het vraagt van een leraar, van een school(team), en hoe we ons als onderwijsveld kunnen en moeten verhouden tot de snelle technologische ontwikkelingen. Het gaat daarbij niet alleen om wat technologie kan, maar vooral om wat wij willen dat onderwijs blijft zijn in een wereld vol digitale versnelling.
Het onderwijs bevindt zich in een tijdperk van transformatie, waarin de digitale logica steeds dieper doordringt tot in de haarvaten van het pedagogisch handelen. AI wordt gepresenteerd als een hulpmiddel dat ons verlost van administratieve taken, dat adaptieve leerroutes mogelijk maakt, dat kennisoverdracht optimaliseert. Maar tegelijkertijd werpt deze technologie fundamentele vragen op: wat is de rol van de leraar als er een digitale assistent naast hem staat die altijd geduldig is, nooit moe wordt, en alles onthoudt? Wat betekent leren nog als het leerproces wordt gereduceerd tot data-input en output? En welke vormen van vorming verdwijnen er uit beeld wanneer het onderwijs zich richt op personalisatie, efficiëntie en resultaatgerichtheid?
AI is veel meer dan een hulpmiddel: het is een systeem met een eigen logica. Waar de ene stem AI beschouwt als kansengelijkmaker – een digitale assistent die ieder kind op maat ondersteunt – waarschuwt de andere stem voor de reductie van menselijkheid tot meetbare data. Sommigen zien AI als een bevrijding voor de leraar, anderen vrezen een vervlakking van pedagogische relaties. Tussen deze uitersten ligt een spanningsveld dat vraagt om oordeelsvorming. Want waar ligt de grens tussen ondersteuning en vervanging? Tussen maatwerk en isolatie? Tussen efficiëntie en betekenis?
Wat opvalt is dat veel van de technologieën die ons onderwijs binnenkomen, zijn ontworpen met een functioneel mensbeeld als uitgangspunt. De mens wordt gezien als een informatieverwerkend systeem: input erin, resultaat eruit. AI is daarbij een numerieke weergave van de werkelijkheid, een mathematische lens die patronen en correlaties blootlegt. Maar opvoeding en onderwijs gaan juist over datgene wat niet meetbaar is – over betekenis, over relatie, over weerstand, over de trage vorming van oordeel en geweten. Niet alles in opvoeding en onderwijs laat zich vatten in getallen. Als we die pedagogische lagen loslaten ten gunste van snelheid en schaalbaarheid, verliezen we iets wezenlijks. Het is precies in het ‘onrendabele’ van onderwijs – het struikelen, het wachten, het niet-weten – dat het diepste leren plaatsvindt.
Tijdens een van de podcastgesprekken werd ik gewezen op een houten beeld, een mens, uitgebeeld in fysiek evenwicht, balancerend tussen twee tegengestelde krachten. Een beeld waar je je gelijk iets bij voor kunt stellen. Het bleek te gaan om de “Mensheidsrepresentant” in het Goetheanum, het centrum van de antroposofie in Dornach. Ik was niet bekend met het Goetheanum of dat beeld. Maar gelijk raakte dat beeld (gelijk al als verhaal) iets essentieels in mijn zoektocht: het zoeken naar balans tussen technologie en pedagogiek, tussen optimalisatie en vorming, tussen controle en vertrouwen.
Dat evenwicht waar het beeld zo krachtig uitdrukking aan geeft, is ook in het onderwijs van nu voortdurend onderwerp van spanning. Niet alleen tussen technologie en pedagogiek, tussen optimalisatie en vorming, tussen controle en vertrouwen, maar ook tussen efficiëntie en betekenis, tussen snelheid en aandacht, tussen personalisatie en gemeenschap, en tussen voorspelbaarheid en verrassing.
Het zijn deze spanningsvelden die het pedagogisch handelen vandaag de dag kenmerken. Ze vormen geen belemmeringen, maar zijn juist de plekken waar oordeelsvermogen zichtbaar en noodzakelijk wordt. Juist daar, in het zoeken naar het midden tussen zulke krachten, ontstaat ruimte voor pedagogische afweging – een ruimte waarin menswording kan plaatsvinden, niet ondanks, maar dankzij de frictie die deze tegenstellingen oproepen.
Het was niet zomaar een kunstwerk. Het beeld bracht iets in beweging dat moeilijk in woorden te vatten is. Het liet me voelen hoe opvoeden altijd ook een oefening is in balanceren. Tussen loslaten en begrenzen. Tussen begeleiden en uitdagen. En in deze tijd komt daar nog een nieuwe balans bij: die tussen mens en machine, tussen de digitale systemen die ons ondersteunen, en de menselijke aanwezigheid die ons vormt. Het beeld maakte zichtbaar wat ik tot dan toe vooral intuïtief voelde: dat opvoeden vraagt om een innerlijk kompas – een vermogen om staande te blijven te midden van krachten die ons uit evenwicht brengen.
Samen met Wouter Modderkolk besloten we naar Dornach te reizen. Daar spraken we onder meer met Constanza Kaliks, hoofd van de pedagogische sectie aan de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap. Zij legde de vinger bij wat zij ‘leren met sporen’ noemt: onderwijs dat iets nalaat in het innerlijk, dat niet alleen informatie overdraagt maar een verandering teweegbrengt. “Zonder verlangen is er geen echt leren,” zei ze. “En verlangen ontstaat pas als er ruimte is. Als niet alles al ingevuld is. Als de leerling mag zoeken. En struikelen. En oefenen.”
In dat gesprek werd het verlangen zelf pedagogisch. Geen luxegevoel, geen toevallige inspiratie – maar een voorwaarde voor onderwijs. Constanza citeerde de 15e-eeuwse denker Nicolaus Cusanus: “Er is geen leren zonder verlangen, en geen verlangen zonder leren.” Dat verlangen ontstaat niet in een dichtgetimmerd curriculum, noch in een didactisch systeem waarin elk leerdoel al vooraf vastligt. Het groeit juist op plekken waar ruimte is om te zoeken, waar nog niet alles bepaald of ingevuld is. Zoals wanneer je de geur van een bloem ruikt die je nog niet kunt zien. Je weet niet precies waar ze is, maar je voelt dat ze er is – en dan wil je op weg gaan, zoeken, vinden.
Het is aan de leraar om die ruimte te bewaken. Niet door leegte te creëren, maar door spanning voelbaar te maken – tussen weten en nog-niet-weten, tussen zekerheid en mogelijkheid. Door nieuwsgierigheid wakker te houden en leerlingen uit te nodigen tot verkenning. “Het vak,” zegt Kaliks, “is geen doel op zich, maar een taal. Een poort. Een bemiddeling tussen het innerlijk van de leerling en de wereld.” Daarin is de leraar onmisbaar – niet als neutrale facilitator, maar als levend verlangen. “Je kunt geen vuur overdragen als je zelf koud bent.”
Constanza wees AI daarbij niet af – integendeel, ze erkende dat technologie betekenisvolle ondersteuning kan bieden. Ze maakt er zelf ook gebruik van. Maar haar punt was dat we niet mogen vergeten dat verlangen, verwondering en vorming niet geautomatiseerd kunnen worden. Juist daarom moeten we als opvoeders alert blijven op wat technologie vervangt, maar ook op wat ze dreigt te verdringen: de trage, relationele dimensie van leren, waarin het kind niet alleen iets leert, maar iemand wordt.
Ze sprak over de betekenis van weerstand, juist in een tijd waarin AI ons belooft dat alles soepeler, sneller en efficiënter kan. “Maar als alles moeiteloos gaat, waar is dan de ervaring? Waar laat je dan de ontmoeting met jezelf?” Kunstmatige intelligentie, zo waarschuwt Kaliks, suggereert een leerproces zonder frictie, zonder tegenslag. En precies dat is gevaarlijk. Want weerstand is niet het probleem, maar het materiaal waaruit vorming ontstaat.
Weerstand is geen defect van het leerproces, maar de brandstof ervan. Zoals spieren sterker worden door tegenkracht, groeit het oordeelsvermogen door het uithouden van onzekerheid. Als technologie die frictie wegneemt – door altijd het juiste antwoord te geven, door twijfels glad te strijken – verliezen we niet alleen die vormende kracht, maar ook het besef dat leren iets existentieel is. Iets dat je raakt, verandert, iets dat je uitdaagt tot menswording. Zo’n proces vraagt nabijheid. Het vraagt om relatie – tussen leerlingen onderling, tussen leerling en leraar, en tussen de leerling en haar omgeving. Constanza Kaliks onderstreept daarmee wat ook in het pedagogisch kompas van NIVOZ klinkt: zonder relatie, geen prestatie.
We spraken over verlangen, over de pedagogische opdracht om nieuwsgierigheid wakker te maken, over de spanning tussen mediatie door technologie en bemiddeling door mensen. “Kinderen leren niet alleen door wat ze aangereikt krijgen,” zei ze. “Ze leren door de relatie met een ander. Door de ontmoeting. Door de sporen die dat achterlaat.” Leren is als verliefd worden: als je dat eenmaal hebt ervaren, wil je dat gevoel opnieuw vinden.
In haar woorden resoneerde iets wat ik vaker gehoord heb, maar zelden zo precies verwoord zag: dat onderwijs geen neutrale overdracht is, maar een wederzijdse vorming. De leraar leert evenzeer van de leerling als andersom. Die pedagogische relatie is niet inwisselbaar. Ze is uniek, kwetsbaar en tijdgebonden. AI kan daar veel in ondersteunen – maar zodra het relationele vervangen wordt door het functionele, raken we iets kwijt dat niet te repareren valt.
In het gesprek met Kaliks werd het steeds duidelijker: pedagogiek is niet alleen een didactisch of organisatorisch vraagstuk, maar een ethisch en existentieel kompas. De vraag is niet of we AI kunnen inzetten in het onderwijs, maar vanuit welk perspectief of opdracht. Daarbij hoort dat we ons blijven afvragen wat onderwijs ten diepste is, en wat we willen dat het blijft.
Juist in dat ‘blijven vragen’ schuilt de kern van oordeelsvermogen. Niet als vaardigheid, maar als levenshouding. In een tijd waarin de technologie ons steeds vaker vertelt wat ‘werkt’, wordt het noodzakelijker dan ooit om stil te staan bij wat ‘goed’ is. Om niet alleen de mogelijkheden van AI te verkennen, maar ook de grenzen ervan. En om in die verkenning trouw te blijven aan de pedagogische opdracht: kinderen begeleiden in hun menswording, niet in hun optimalisering.
Daar, in het Goetheanum, bracht Johannes Kronenberg ons oog in oog met het beeld van de Mensheidsrepresentant. Een negenmeter hoog houten beeld met de mens prominent in het midden. Een figuur, de mens, in evenwicht, tussen twee krachten in: Ariman en Lucifer. De een trekt ons omlaag, de ander wil ons losweken van de aarde. Ariman staat voor het kil rationele, het calculerende, het verstarde – denk aan de logica van AI, die alles in nullen en enen dwingt. Lucifer verleidt met hoogmoed en illusie, met het verlangen om te ontsnappen aan de realiteit, op te stijgen naar een frictieloze wereld vol perfectie.
De kracht van het beeld ligt in zijn stilzwijgende helderheid. Je hoeft niets van antroposofie te weten om te voelen wat hier in balans gehouden wordt. Het is de mens in het midden – niet als perfecte synthese, maar als oefenende gestalte. De handen spreidend, niet om te heersen, maar om ruimte te maken. Ruimte tussen uitersten. Tussen controle en chaos. Tussen technische beheersing en menselijke ontvankelijkheid. AI kan ons veel geven, maar wat vraagt het van ons om in balans te blijven?
Maar de mens, in het midden, houdt beide krachten op hun plek. Niet door ze uit te sluiten, maar door ze te erkennen en te balanceren. Het beeld laat zien dat deze krachten bij het mens-zijn horen. Dat weerstand niet iets is om te vermijden, maar om te ontmoeten. Dat vorming ontstaat in de spanning tussen het aardse en het verhevene, tussen controle en overgave, tussen techniek en ontmoeting.
Wat me bijzonder raakte was de toevoeging van de ‘wereldhumor’. Links bovenin het beeld prijkt een figuurtje – licht, speels, onverwacht. Alsof het beeld wil zeggen: ja, de strijd tussen Ariman en Lucifer is ernstig, maar neem jezelf niet te serieus. Humor als tegenkracht. Als relativering van onze technologische hoogmoed. Als bescherming tegen moreel absolutisme. Misschien is het precies deze zelfspot die ons helpt mens te blijven, juist nu we systemen bouwen die ons dreigen te overnemen. Het is een verrassende detail in het beeld. Humor als tegenkracht. Als relativering. Als herinnering aan het onvolmaakte, het menselijke. Misschien hebben we die humor vandaag harder nodig dan ooit.
Terugkijkend op deze reis, de liefdevolle ontvangst door Johannes Kronenberg, de gesprekken, en het beeld, voel ik hoe de vragen rond AI ons niet alleen technologisch uitdagen, maar vooral pedagogisch en zelfs spiritueel. Hoe we, om werkelijk richting te kunnen geven aan onderwijs in deze tijd, meer nodig hebben dan instrumenten en toepassingen. We hebben verhalen nodig. Beelden. Gesprekken. En moed.
De moed om weerstand te bieden. De moed om te blijven zoeken naar het midden.
De moed om mens te blijven in een wereld vol systemen.
🎧 Beluister de NIVOZ-podcast met Johannes Kronenberg via:
Spotify: https://open.spotify.com/episode/7vAgFG80iDtdCr2LqP7J3D?si=bdb70a96d6dc485a
iPhone: https://lnkd.in/eSPByDVF
Online: https://lnkd.in/ed-rew7T