Omslag van We moeten spelen van Rob Martens
Omslag van We moeten spelen van Rob Martens

Essay · 2019

We moeten spelen

Wat onderwijs aan een verkenning van onze natuur heeft

Rob Martens · tekeningen Mark Schalken · voorwoord Luc Stevens

Waar het over gaat

Kinderen spelen met overgave, en tegelijk vinden we dat leren op school vooral werk moet zijn. ‘Stop met gamen en ga je huiswerk maken’ noemt Rob Martens misschien wel het grootste pedagogische conflict van deze tijd. In We moeten spelen laat hij zien dat de tegenstelling tussen spelen en leren een denkfout is. Volgens Martens is die fout in de negentiende eeuw in het onderwijs geslopen en daarna nooit meer hersteld.

Martens, hoogleraar aan de Open Universiteit en toen wetenschappelijk directeur van NIVOZ, kijkt door een evolutiepsychologische bril. Hij combineert Johan Huizinga (Homo Ludens) met Peter Gray (Free to Learn) en de zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci. Zijn redenering gaat zo: de mens heeft een uitzonderlijk lange jeugd en een energieslurpend brein, en zo’n investering doet de natuur niet zonder reden. Die jeugd is er om te spelen, en spelen is leren. Daarna volgen de sociale, de lerende en de creatieve kant van spel. Martens gebruikt veel voorbeelden: spelende honden, zijn eigen volleybalclub, voetbalsupporters, de stiltecoupé, Fortnite, de grotkunst van Chauvet en de uitvinding van pijl en boog. Spel heeft volgens hem een paar vaste kenmerken. Het is vrijwillig. Het is ‘niet echt’. Het draait om het proces en niet om de uitkomst. En je moet er altijd uit kunnen stappen.

In de laatste hoofdstukken maakt hij de vertaling naar school. Hij geeft een lijst ‘spelbrekers’, zoals dwang, afrekenen, stress, oneerlijkheid en voorspelbaarheid. Daarna somt hij onderwijstermen op die ‘geen speelse geest ademen’ en beschrijft hij voorbeelden van scholen waar spelend leren wel ruimte krijgt: Bauhaus, Ferrer, Freinet, democratische scholen, Agora, de Essential Schools en het Vathorst College. Martens noemt het boek zelf een schetsboek en geen sluitend wetenschappelijk betoog. Het boek draait in spiralen om zijn onderwerp heen en herhaalt zichzelf bewust.

“Het tegenovergestelde van spel is niet werk. Het is depressie.”

Brian Sutton-Smith, geciteerd in We moeten spelen, p. 192 · eigen vertaling (origineel: ‘The opposite of play is not work. It’s depression.’)

Wat het betekent voor pedagogiek en onderwijs

Waarom het ertoe doet

De kern van het boek is dat spel geen pauze van het leren is. Volgens Martens is spel juist het mechanisme waarmee mensen leren. Hij koppelt spel aan intrinsieke motivatie en aan diepgaand leren, het leren dat gericht is op begrip en niet op reproductie. Als spel en intrinsieke motivatie onze natuurlijke toestand zijn, dan hoeft de leraar leerlingen niet ‘te motiveren’. Dan moet de school vooral ophouden met demotiveren. Daarmee keert de vraag om: niet ‘hoe krijgen we spel in de klas?’, maar ‘waarom halen we het eruit?’

“Spel – een playful mind – is de turbostand van intrinsieke motivatie.”

Rob Martens, We moeten spelen, p. 127

Pedagogisch gaat het boek over gezien worden. In spel laat je jezelf zien en reageren anderen op je. Zo oefen je met grenzen, eerlijkheid en verlies. Martens noemt spel bovenal een sociaal of socialiserend proces. Een school die leerlingen alleen als object van toetsing behandelt, ontneemt hun die kans. Martens sluit hier aan bij Biesta’s subjectificatie en bij Luc Stevens’ ‘zonder relatie geen prestatie’.

“Kinderen die op school gezien worden als object, in plaats van als subject (…) die kinderen uiten zich niet echt. Ze worden niet gezien.”

Rob Martens, We moeten spelen, p. 71

Het boek legt ook een historische lijn naar de toetscultuur. Adriaan de Groot baseerde de cognitieve psychologie op het denken van schakers, dus op spelers. Toch werd hij de geestelijk vader van de Cito-toets, en daarmee van een vorm van onderwijs waarin het spel juist wordt gebroken. Martens noemt dit ‘de denkfout’ die hersteld moet worden.

Voor wie

Het boek is bedoeld voor leraren en lerarenopleiders die zich afvragen waarom leerlingen buiten school zo gemotiveerd zijn en binnen school zo weinig. Het is ook voor schoolleiders en bestuurders die nadenken over toetsdruk en ruimte. Het geldt ook voor professionals zelf: in het slothoofdstuk betoogt Martens dat dezelfde spelbrekers het werk van onderzoekers en leraren verstieren.

Kanttekeningen

Martens is eerlijk over de grenzen van zijn betoog. Spel is moeilijk te onderzoeken, want ‘once you control it, it’s not fully play’. Veel evolutionaire passages zijn speculatief, zoals de stukken over de Neanderthaler en over monsters in games als echo uit de prehistorie. In het hoofdstuk ‘Enige voorzichtigheid’ noemt hij zelf de nuances. Kinderen met autisme hebben meer begeleiding nodig. Bij risicovol spel hoort toezicht. En spel heeft geen monopolie op leren, want soms moet je iets gewoon uitleggen of laten onthouden.

“Spel moet onbelangrijk ogen (‘niet echt’, maar het mag wel ‘net echt’ zijn), anders werkt het niet. De grote paradox is dat het niet betekent dat het daarmee ook onbelangrijk ís.”

Rob Martens, We moeten spelen, p. 42

Welke vragen roept het op?

Martens vraagt de lezer ‘afstand te nemen van wat je al lang weet’. Deze vragen helpen daarbij:

  1. Welke ‘spelbrekers’ herken je in je eigen school, bijvoorbeeld dwang, afrekenen, toetsdruk of voorspelbaarheid?
  2. Waar mogen leerlingen bij jou iets doen dat ‘niet meetelt’, zodat ze kunnen oefenen en fouten mogen maken?
  3. Hoe zie je of een leerling ‘aan staat’, en wat doe je met wat je dan ziet?
  4. Waar is kunst bij jullie nog franje, en wat zou er veranderen als het een hoofdzaak werd?
  5. Waar heb jij als professional nog speelruimte om te onderzoeken en te proberen zonder afgerekend te worden?

Wat kunnen we ermee?

Doe een spelbrekers-scan met je team. Loop de lijst uit hoofdstuk 8 door en kies er één om weg te halen.

Scheid feedback van afrekenen. Martens heeft niets tegen feedback, ook niet in de vorm van een toets. Het gaat pas mis als de toets autonomie en zelfdeterminatie verstoort (p. 176).

Maak interesse de kapstok. Laat de vraag van de leerling het vertrekpunt zijn (p. 195–197).

Geef maken en kunst een echte plek. Doe dat niet als bijvak maar als manier om je te uiten en gezien te worden.

Bekijk ook

Bron

Johan Huizinga – Homo Ludens (1938)

Dit is de bron waarop Martens het meest voortbouwt, en die hij aanvult met een biologische verklaring.

NIVOZ · 2022

Online drieluik ‘Ja, maar hoe dan?’

Met de boekpresentatie van Martens’ Leerlingen intrinsiek motiveren. Hierin werkt Martens de praktische kant van intrinsieke motivatie verder uit.

Meesterwerk · podcast

Van theorie naar praktijk: hoe maak je ruimte voor spel in de klas?

Twee afleveringen. In deel 2 komt de praktijk aan bod bij de Montessorischolen van Stichting Monton.

Verder lezen en luisteren

Gray, P. (2013). Free to learn. Basic Books.

Huizinga, J. (1938). Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Tjeenk Willink.

Ploeger, A. (2018). De evolutie van een kind. Nieuwezijds.

Sluijsmans, D., & Kneyber, R. (2016). Toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het voortgezet onderwijs. Phronese.

Stevens, L. (2002). Zin in leren [Afscheidsrede, Universiteit Utrecht]. Garant.

Sutton-Smith, B. (1997). The ambiguity of play. Harvard University Press.

Johnson, J., Eberle, S., Henricks, T., & Kuschner, D. (Eds.). (2015). The handbook of the study of play. Rowman & Littlefield.

“Buitenspelen zou een vak op school moeten zijn.”

Johan Cruijff, geciteerd in We moeten spelen, p. 11

Gegevens

TitelWe moeten spelen. Wat onderwijs aan een verkenning van onze natuur heeft
MakerRob Martens
Tekeningen en ontwerpMark Schalken (de Ruimte ontwerpers / Het Huis van Betekenis)
VoorwoordLuc Stevens
RedactieRob van der Poel, met bijdragen van Geert Bors, Joyce van den Bogaard en Luc Stevens
UitgeverNIVOZ, Driebergen
Jaar2019 (eerste druk, oktober)
Pagina’s224
ISBN978-90-819493-5-4
APA 7Martens, R. (2019). We moeten spelen: Wat onderwijs aan een verkenning van onze natuur heeft. NIVOZ.